In 2023 is door het bestuur van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren het voorstel aanvaard om een doorstart te organiseren van de wetenschappelijke afdeling van de organisatie, CTB, opgericht in 2000, die door de verregaande reductie van de subsidiëring van de KANTL een kwijnend bestaan was gaan leiden. Het acroniem CTB kreeg wel een andere invulling: Corpora – Tekstedities – Bronnen, maar bevestigde zijn status als ‘opvolger van’ doordat ervoor geopteerd werd om enkele vroegere CTB-projecten opnieuw op te nemen, waaronder in de nabije toekomst de digitale beschikbaarstelling van het materiaal-Willems.
Dat laatste betreft de dialectenquête die in de jaren 1885-1889 werd georganiseerd door Pieter Willems. Het was niet de eerste bevraging van regionale talen in de Nederlanden (cf. Goossens, 1989, p. 5-6), maar wel de eerste die grensoverschrijdend was: ze besloeg zowel België en Frans-Vlaanderen als delen van Nederland en het Rijnland. De geografische afbakening was gebeurd op basis van de taalgeschiedenis: in principe waren alle gebieden inbegrepen waar sinds de vroege middeleeuwen ‘Nederfrankische’ dialecten een rol speelden, de dialecten dus die teruggaan op de taal van de Salische Franken. Bovendien was het de eerste enquête die een poging deed om alle componenten van het taalsysteem te vatten. Behalve voor het lexicon was er systematische belangstelling voor fonologie en morfologie, en ietwat verrassend voor die tijd, ook ruime aandacht voor syntactische aspecten van de taal.
Een eerste stap in het ‘doorstartproces’ voor het materiaal-Willems was een grondige controle van de gegevens. Bij de eerste poging tot digitalisering van het materiaal waren immers hier en daar vergissingen gemaakt bij de ordening en de presentatie van het corpus. Bovendien is in de loop van 2014 een ‘verloren’ schriftje in de verzameling van de KANTL teruggekeerd, cf. verderop punt 5.1.
Een en ander maakt het noodzakelijk dat de toelichting bij de materiaalverzameling aangevuld wordt. Dat gebeurt in deze tekst, die daarmee ook de vorige versie op de website van het genootschap moet vervangen.
Pieter Willems werd op 6 januari 1840 geboren in Maastricht, dat samen met de rest van oostelijk Limburg een paar maanden daarvoor aan het Koninkrijk der Nederlanden was toegewezen. Een niet onbelangrijk detail van het scheidingsverdrag dat België en Nederland (en op enige termijn trouwens ook Luxemburg) tot onafhankelijke staten omvormde, is dat inwoners van Maastricht het recht hadden om, indien ze dat wensten, af te zien van de Nederlandse nationaliteit en de Belgische aan te nemen. Willems zou later van dat recht gebruikmaken toen hij zich definitief in Leuven gevestigd had. Dat hij daar terecht was gekomen, was voor een groot deel het gevolg van het feit dat hij, als zoon van niet erg bemiddelde ouders, een beurs gekregen had voor studies aan de filosofische faculteit van de KU Leuven.[2] Willems studeerde er in 1861 af als doctor in de (klassieke) filologie. Hij voleindigde zijn studies in de jaren 1862-1864 in Parijs, Berlijn en Leiden, dankzij een beurs van de Belgische regering.
Pieter Willems had al voor zijn vijfentwintigste verjaardag een sterke wetenschappelijke reputatie opgebouwd, en werd in 1864 bij zijn terugkeer in Leuven belast met een aantal Latijnse cursussen. Het jaar daarop kreeg hij als extraordinarius een leeropdracht. Tot aan zijn dood in 1898 bleef hij als hoogleraar Latijn aan zijn oude alma mater verbonden.
Zijn opdracht aan de universiteit heeft hijzelf in de periode 1866-1870 uitgebreid met een college ‘Geschiedenis van de Nederlandse Letterkunde’, en na de officiële oprichting van de afdeling Germaanse filologie heeft hij heel korte tijd ‘Historische grammatica van het Nederlands’ gedoceerd. Jan Goossens (1989, p. 7) merkt, na vermelding van dat alles, terecht op dat dat engagement voor de studie van het Nederlands in waarde verbleekt bij het initiatief om de grote enquête te organiseren en te begeleiden die tot het materiaalWillems geleid heeft. Er werden uiteindelijk (ten minste) 349 schriftjes teruggestuurd, cf. verderop punt 3.2.
De onderneming van Pieter Willems wordt door Jan Goossens (1989) uitvoerig gesitueerd, zowel in het wetenschappelijke kader van de late negentiende eeuw als ten opzichte van Willems’ eigen ontwikkeling in de dialectstudie. Daarbij hecht Goossens groot belang aan de sociale en ideologische karakterisering van de aangezochte invullers. Voor België waren dat meer dan waarschijnlijk aan de ene kant studenten en afgestudeerden van de KU Leuven, anderzijds vooral mensen uit het voornamelijk katholieke netwerk van de initiatiefnemer. Voor Nederland zal vooral Willems’ katholieke netwerk aangesproken zijn, met daarbij nogal wat parochiepriesters. De invullers behoorden dus voor het overgrote deel tot het gestudeerde segment van de bevolking, niet bepaald de groep mensen die voor informatie over de volkstaal de voorkeur wegdroeg van dialectologen in de twintigste eeuw. Bovendien zou de focus op het katholieke volksdeel wel eens verantwoordelijk kunnen zijn voor de lacunes in de geografische distributie van de enquête: als het de bedoeling was om een standaardwerk aan het Nederfrankische taalgebied te wijden – Willems had van het begin af een naam voor het boek dat hij als uiteindelijk resultaat zag: Francia – dan hadden ook de overwegend protestantse gebieden in Zuid-Holland, het zuiden van Noord-Holland, Gelderland en Zeeland een (veel) ruimere representatie moeten krijgen.
Evenmin duidelijk is hoe Willems aan informanten uit Frans-Vlaanderen en uit het Duitse Rijnland kwam. Voor het eerste gebied wijst Ryckeboer (1989, p. 108-109) op de mogelijke rol van Guido Gezelle. Net als Pieter Willems behoorde die tot de eerste, door de Belgische regering aangestelde leden van de Vlaamse academie toen die in 1886 gesticht werd. Willems en Gezelle kwamen dus precies in de periode van de enquête in nauw contact met elkaar, en het is plausibel dat ze samen naar mogelijke informanten gezocht hebben. We weten immers met zekerheid dat Gezelle, die zoals algemeen geweten is een passie had voor de volkstaal, goed bekend was met het Comité Flamand de France, en dat hij met een aantal parochiepriesters in de regio bevriend was.[3] Dat Gezelle ruim in zijn Frans-Vlaamse netwerk is gedoken, wordt wel erg waarschijnlijk als we zien dat tien van de Franse invullers tot de geestelijkheid behoorden en maar twee een niet-klerikaal beroep opgaven (van de drie anderen zijn geen identificatiegegevens bekend).
Nog veel minder waarschijnlijk is het dat we ooit de opbouw van het informantennetwerk in het Duitse Neder-Rijnland zullen kunnen doorgronden. Een belangrijk gegeven is wellicht dat een van de beste cahiers (dat voor Düsseldorf) van de hand is van Georg Wenker, de grondlegger van de Duitse dialectgeografie. Goossens (1989) wijst erop dat die de onderneming wel erg gunstig gezind moet zijn geweest; het is dus niet ondenkbaar dat Wenker bij de opbouw van het informantenbestand een cruciale rol gespeeld heeft. Dat de sterkste subgroep daarbij uit mensen bestond die in het onderwijs werkzaam waren, kan daar eveneens op wijzen; dat was immers de beroepscategorie die in de bevraging voor de Deutscher Sprachatlas allesbepalend is geweest. Al moet ook hier gezegd worden dat het aantal priesters onder de invullers van Willems’ enquête indrukwekkend is, cf. verder bij Goossens (1989, p. 10-11). Vanuit Nederland en België bekeken, is het onwaarschijnlijk dat nog een specifieker profiel tevoorschijn zal komen.
Helemaal zeker is het niet dat de geografische begrenzing tot het stam- en vestigingsgebied van de Salische Franken van het begin af intentioneel geweest is. Er is in het Rijnland ook een aantal schriftjes in de verzameling voor plaatsen ten zuiden van die geografische entiteit. Goossens suggereert als mogelijke verklaring dat die door Willems aan de verzameling toegevoegd zouden zijn als hulpmiddel om de zuidelijke begrenzing van het ‘Nederfrankische’ gebied ten opzichte van andere Germaanse dialecten in het oosten nader te bepalen. Meer dan waarschijnlijk zijn de twee schriftjes van nog dieper in het zuiden, voor het Duitse Trier en het Luxemburgse Waldbillig, toevalstreffers: mogelijk zijn die van de hand van mensen die van de enquête gehoord hadden (bv. via mensen die wel door Willems zelf gevraagd waren) en zichzelf als kandidaat-invullers aangemeld hebben.
Hoeveel enquêteformulieren er gedistribueerd zijn, is op basis van de bewaarde documentatie niet te achterhalen. Wel, althans met grote waarschijnlijkheid, hoeveel er teruggekomen zijn. Willems heeft zelf op elk exemplaar een nummering aangebracht, kennelijk op een (hier en daar niet helemaal correcte) alfabetische ordening van de plaatsnamen die hijzelf in eerste instantie op de kaft had aangebracht.[4] Die nummering loopt van 1 tot 347, met twee nummers die twee keer verschijnen: 17 en 284. Dat levert dus een totaal op van 349 exemplaren.[5]
Elke kandidaat-invuller kreeg een cahiertje toegestuurd of in de hand gestopt (formaat: 18 bij 23 cm), zoals die in die tijd (en nog veel later) in het lager onderwijs gebruikt werden. Op de eerste bladzijde staat de naam van een plaats (stad, gemeente of kerkdorp) waarvoor Willems dacht informatie te kunnen krijgen. Kennelijk was die informatie al aangebracht voordat het schriftje verstuurd of overhandigd was. Verder was er plaats voor de informant om zijn of haar[6] naam, geboorteplaats en -datum en beroep aan te geven, en vooral ook informatie over de plaats(en) waar ‘hetzelfde’ dialect als het gepresenteerde in gebruik was. Jammer genoeg wordt niet gevraagd voor welke plaats het dialect primair moest gelden. Dat is vooral hinderlijk als het over een grotere gemeente gaat met, behalve het administratieve centrum, ook nog een aantal gehuchten of kerkdorpen; denk daarbij vooral aan uitgestrekte gemeenten, onder andere in de Kempen. Maar ook elders kunnen er moeilijkheden overblijven. Zo betreft een van de cahiers voor het Frans-Vlaamse Hazebrouck het hele arrondissement rond die stad. Er wordt dan een vrij groot aantal plaatsen om Hazebrouck heen opgegeven, waar ‘hetzelfde’ dialect in gebruik zou zijn geweest, maar de centrumstad zelf wordt niet vernoemd. Voorbeelden van dit type zijn gelukkig erg zeldzaam.
Willems was zich natuurlijk ook bewust van dit probleem, en hij heeft er hier en daar rekening mee gehouden bij de verwerking van het materiaal in de Tafereelen en de afgeleide tabellen: daar gebruikte hij af en toe een andere naam dan de naam die hij oorspronkelijk op het cahier zelf had aangebracht. Ik verwijs hier naar Brok (1989, p. 60-61), die in zijn inventaris van behandelde plaatsen bij een aantal cahiers informatie geeft over de verschillende mogelijkheden van toewijzing.
Een probleem waarbij de opsomming van plaatsen ‘met hetzelfde dialect’ ook van nut kan zijn, rijst als een plaatsnaam meer dan eens in het bestreken gebied voorkomt. Met ‘Alphen’ bv. krijgen we geen eenduidigheid, want er worden in de inventaris van plaatsen in het Nederlandse taalgebied niet minder dan drie locaties met die naam opgesomd: een in elk van de provincies Utrecht, Noord-Brabant en Gelderland, alle drie dus in Willems’ onderzoeksgebied. En dan is er ook nog een Alphen in het aangrenzende Nederfrankische gebied in Duitsland. Als in zo’n geval geen sluitende informatie in het schriftje voorkomt, bv. met de namen van plaatsen in de buurt, kunnen we niet anders dan accepteren dat Willems over de nodige informatie beschikt zal hebben, en zijn interpretatie overnemen.
Volgen, na wat we dus het titelblad kunnen noemen, de vragen van de enquête zelf. In totaal telt elk schriftje 58 bladen met voorgedrukte lijsten woorden die de informanten in hun thuisdialect moesten vertalen, en waarvan vaak verschillende vormen opgegeven moesten worden: verschillende personen, tijden enz. van werkwoorden, enkelvouds- en meervoudsvormen en diminutieven van zelfstandige naamwoorden, enz. De hele grammatica passeert de revue, met een systematische aandacht voor klank- en vormleer, en bovendien een voor die tijd uitzonderlijk rijk aanbod van belangrijke syntactische verschijnselen (meervoudige negatie, gebruik van zgn. functiewoorden, congruentieverschijnselen bij voornaamwoorden en voegwoorden, enz.). Als de vormenrijkdom groot genoeg was, werden zowel de verso- als de tegenoverliggende rectopagina in kolommen verdeeld om al die vormen netjes naast elkaar op te lijsten. Kon daarvoor een enkele bladzijde volstaan, dan kwam op beide pagina’s een lijst met te behandelen woorden. En zo verder tot blad 59. Jan Goossens heeft alle ‘vragen’ geteld en kwam tot het verbluffende aantal van 15.554 per cahier! Het zal geen verwondering wekken dat lang niet alle terugbezorgde schriftjes volledig ingevuld zijn. In het beste geval zijn er alleen hier en daar kleine lacunes, of worden er ‘shortcuts’ gebruikt van het type ‘overal uitgang -en’, verticaal in (eventueel een deel van) een kolom geschreven. Soms worden hele bladzijden of belangrijke delen daarvan gewoon overgeslagen, of stopt de informant volledig met invullen, soms zelfs na een enthousiast begin met zorgvuldige noteringen. De 349 cahiers die uiteindelijk in de verzameling terechtgekomen zijn, leveren dus niet bij benadering de bijna vijf en een half miljoen gegevens op die we in abstracto hadden kunnen verwachten. Toch is het aantal gegevens zo indrukwekkend dat de volledige verwerking de krachten van één enkele onderzoeker ver te boven zou gaan. Willems zelf heeft het geprobeerd, maar is ver van de realisatie van zijn project blijven steken, cf. verderop punt 4.1. Het materiaal is door veel latere dialectologen ter hand genomen en in detailstudies verwerkt, cf. punten 4.2 en 4.3.
Het past om de vraag te stellen wat er met het immense materiaal-Willems gebeurd is in de bijna anderhalve eeuw sinds de afsluiting van de verzamelfase in 1889. Dat is aan de ene kant, gegeven de immense rijkdom aan gegevens,[7] weinig te noemen. Aan de andere kant is het best indrukwekkend, gegeven de weinig gebruiksvriendelijke manier van de presentatie. Per dialect is er een schriftje (uitzonderlijk zijn er zelfs twee, cf. de lijsten onder 5.3.1). Die cahiers moeten bij vergelijkend of dialectgeografisch onderzoek een voor een ter hand genomen worden, en soms heel moeizaam doorzocht. Er zijn bovendien in nogal wat schriftjes afwijkingen van de ‘modelpresentatie’, Willems heeft zich bij het verknippen van de lijsten weleens vergist, of heeft een fragment ervan op een afwijkende plaats ingeplakt. Al die afwijkingen leveren ook problemen op voor wie het materiaal elektronisch doorzoekbaar wil maken. In de eerste poging tot digitalisering is een (mijns inziens geslaagde) methode ontwikkeld om dat te bereiken.
Het volgende overzicht met betrekking tot het gebruik is voor de punten 4.1 en 4.2 grotendeels gebaseerd op Weijnen (1989), met wat aanvullende informatie uit Brok (1989). In 4.3 volgt een rapportage van wat in de laatste decennia gepresteerd is.
Willems zelf heeft, vrijwel onmiddellijk na afsluiting van de enquête in 1889, de verzamelde gegevens gebruikt voor het ontwerp van een Klank- en Vormleer van de gebieden die door de enquête ontsloten werden. Daarvoor ontwierp hij, waarschijnlijk tussen het najaar van 1888 en september 1889, zijn Vergelijkende tafereelen: verzamelingen gegevens die volgens Willems tot eenzelfde dialectgebied behoorden. Een overzicht is te vinden bij Brok (1989, p. 57-58).[8] Uit het zo ruw geordende materiaal haalde Willems de gegevens voor een Klankleer en Vormleer, die zijn verzameld in elf groepen tabellen. Elke groep omvat drie bundels (1. Klankleer, 2. Vervoeging, 3. Verbuiging). Van die groepen ontbreekt in het academiearchief één reeks (nr. IV).[9] Har Brok legt er in zijn tekst van 1989 (p. 58-61) de nadruk op dat het gebruik van de Vergelijkende tafereelen zonder controle van de oorspronkelijke schriftjes niet verantwoord is. Toch kunnen ze nut hebben, met name voor de schriftjes die in de loop van de jaren verloren zijn gegaan.[10] Nogal wat van die zoekgeraakte gegevens zijn immers (weliswaar in een interpretatie van Willems zelf) terug te vinden in de tafereelen.
Willems is dus heel ijverig begonnen met lijsten aan te leggen met taalvormen, vooral fonologische en morfologische. Die noteerde hij binnen het ‘tafereel’ per plaats naast elkaar. Het uiteindelijke doel, een volledige beschrijving van de fonologische en morfologische structuur van de Nederfrankische dialecten, is niet bij benadering gerealiseerd. Tien jaar na het afsluiten van de verzameling is Pieter Willems overleden. Jan Goossens vermoedt dat ook een (veel) langer leven niet volstaan zou hebben om het hele materiaal op deze manier te inventariseren en te beschrijven, laat staan het te interpreteren (Goossens, 1989, p. 13). Brok (1989, p. 58) lijkt een stuk optimistischer (of milder): hij deduceert uit de vermoedelijke begindatum van het titanenwerk en Willems’ sterfdatum dat de hele imposante verzameling gegevens van de bestaande tafereelen in zijn laatste twee levensjaren tot stand is gekomen. Dat laat vermoeden dat Willems zelf, had hij langer geleefd, met het voorbereidende werk zover had kunnen komen dat conclusies echt wel mogelijk waren geweest. Maar dat is dus niet meer dan speculatie.
De hele materiaalverzameling, dat wil zeggen de originele schriftjes en de papieren neerslag van Pieter Willems’ verwerking daarvan, werd in 1909 door zoon Joseph Willems, toen hoogleraar aan de rechtsfaculteit van de Rijksuniversiteit Luik, in het archief van de Koninklijke Vlaamsche Academie in Gent gedeponeerd, met de uitdrukkelijke wens dat die de verzameling op de een of andere manier ter beschikking van de wetenschap zou stellen.
Na het overlijden van Pieter Willems in 1898 is het rond zijn enquête stil geworden, en die stilte heeft ten minste geduurd tot het einde van de jaren twintig van de twintigste eeuw. De vroegste geschiedenis van de ‘wederontdekking’ is geschreven door Weijnen. Zijn relaas vangt aan met de bepalende rol van pater SJ Jacques van Ginneken (Weijnen, 1989, p. 16-18). Van Ginneken vermeldt bij verschillende gelegenheden dat hij zich bij het ontwerpen van zijn talrijke taalkaarten (voornamelijk gepubliceerd in het tijdschrift Onze Taaltuin) voor het zuiden van het Nederlandse taalgebied (in België en Frankrijk) vooral op het materiaal-Willems gebaseerd heeft. In de jaren dertig was de materiaalverzameling, die van 1911 tot 1934 in Nijmegen onder de hoede van Van Ginneken in bruikleen was (cf. Brok, 1989, p. 55-56), ook een bron van gegevens voor een aantal onderzoekers die in het spoor van Van Ginneken traden. Vooral P. Peters heeft er kennelijk gebruik van gemaakt voor de morfologische studies die hij in de jaren dertig in het tijdschrift Onze Taaltuin (jg. V tot VIII) liet verschijnen (Weijnen, 1989, p. 19).[11]
In flagrante tegenstelling met de appreciatie voor de materiaalverzameling aan de KU Nijmegen, staat de bijna absolute afwijzing ervan aan Willems’ eigen universiteit, de KU Leuven. Daarvoor is, blijkens de fors afkeurende bespreking van Weijnen (p. 20-24), op de eerste plaats Ludovik Grootaers (1885-1956) verantwoordelijk. Die was veel minder onder de indruk van de waarde van de verzameling. Weijnen (1989, p. 22-24) citeert – trouwens zonder zijn irritatie daarover te verbergen – een paar stukjes kritiek van Grootaers, kritiek die er grotendeels op neerkomt dat wie zich op de gegevens van het materiaal-Willems beroept, in ‘dilettantisch drijfzand’ terechtkomt. In zekere zin is die reactie natuurlijk wel te begrijpen, gegeven het feit dat de overgrote meerderheid van de informanten geen enkele scholing in de fonologie had, en dikwijls ook nauwelijks naar de bijgevoegde instructies van Willems[12] gekeken zal hebben.
Vast staat dat de tafereelen later ten minste nog door Weijnen en Goemans gebruikt zijn.
Het volgende overzicht betreft alle componenten van het systematische taalonderzoek: het lexicon, de fonologische, morfologische en syntactische component. Heel sporadisch duiken in de cahiers ook notities op die voor sociolinguïstisch onderzoek relevant zouden kunnen zijn. Maar daarbij is uiteraard geen systematisering mogelijk; Pieter Willems heeft geen enkele poging gedaan om de informanten op het eventuele belang van opmerkingen over types van taalgebruik (bv. over sociaal bepaalde registers van taalvariëteiten) te wijzen, en kennelijk hadden die informanten de handen al vol genoeg aan het invullen van wat wel gevraagd werd. Voor dit aspect wil ik heel graag wijzen op de beschouwingen die Taeldeman (1989, p. 44) in zijn bespreking van het cahier uit Vlierzele in verband met het ontbreken van varianten in de opgaven ten beste geeft: informatie over mogelijke variatie (ook binnen één enkel idiolect) is er nauwelijks. Ook dat zal wel op het conto van de omvang van de onderneming te schrijven zijn.
In wat volgt probeer ik per component een algemene karakterisering te geven van de waarde die aan gegevens in het betreffende onderzoeksdomein gehecht kan worden. Een poging om na te gaan wat in de recente decennia effectief gerealiseerd is, heb ik niet ondernomen, maar ik voeg wel voorbeelden toe van werk dat als exemplarisch kan gelden.
In haar bespreking van het lexicologische belang dat aan het materiaal-Willems toegekend kan worden, is Magda Devos (1989, p. 119-120) bijzonder streng, en zelfs wie met een zekere welwillendheid naar de onderneming kijkt, zal haar daarin verregaand of volledig gelijk moeten geven. De eindeloze reeksen woorden die aan de informanten ter beoordeling voorgelegd werden, missen elke contextualisering. Aan de invullers werd alleen gevraagd om de woorden die in hun dialect gebruikelijk waren te transcriberen, specificering van de betekenis werd niet in de vraagstelling opgenomen. Bovendien: met de mogelijkheid dat er verregaande contaminatie zou optreden tussen endogeen en exogeen taalgebruik (met name dat woorden uit de standaardtaal of uit al dan niet naburige dialecten als ‘eigen’ aangegeven zouden worden) is helemaal geen rekening gehouden, er werd zelfs niet gewaarschuwd voor het gevaar dat zoiets mogelijk was. En het is achteraf natuurlijk niet mogelijk om dat te corrigeren.
Toch is gretig gebruikgemaakt van de materiaalverzameling voor lexicologisch onderzoek. Het is zo goed als zeker dat Leo Goemans voor zijn deel 1 van Leuvensch Taaleigen, waarin het lexicon van het Leuvense dialect gerepresenteerd wordt, gebruik heeft gemaakt van het materiaal (cf. Brok, 1989, p. 56-57).[13] Magda Devos geeft ook aan dat van het materiaal vrij omstandig gebruik is gemaakt voor de redelijk recente grote onderneming van het WVD (Woordenboek van de Vlaamse Dialekten). In noot 11 bij deze tekst is er ook al op gewezen dat het materiaal omstandig gebruikt is voor de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland.
Behalve als bron van informatie in verband met de woordenschat van de individuele dialecten is het materiaal natuurlijk ook te gebruiken voor het nagaan van de geografische verspreiding van lexemen. Uit Devos’ bespreking van de woorden voor hen en hoen (resp. als naam van het vrouwelijke dier en als de generieke naam van de vogelsoort) blijkt alvast dat een vergelijking van woordkaarten op basis van enerzijds het materiaal-Willems en anderzijds latere bronnen waardevolle informatie kan bezorgen over factoren van taalvernieuwing, over taalverandering onder invloed van dominante dialecten, van de standaardtaal, e.d. (Devos, 1989, p. 121-131).
De bespreking van Devos is alles tezamen relativerend positief. Wat het zuiver lexicologische aspect betreft, ben ik geneigd haar bezwaren heel ernstig te nemen. Het ene voorbeeld dat zij van het woordgeografische belang geeft is wel overtuigend, maar heeft bij mijn weten niet tot navolging geleid. Dat is jammer, omdat het in de discussies over normatieve kwesties in Vlaanderen maar ook – zij het vanwege de geografische lacunes van de enquête in mindere mate – in Nederland een basisgegeven zou kunnen zijn. Ook voor het geleidelijk of juist bruusk uiteengroeien van de dialecten in Nederland en België, of in Frankrijk en West-Vlaanderen, of in het Duitse Rijnland en het oosten van Nederland, zou een vergelijking tussen de toestand van het laatste kwart van de negentiende eeuw en latere taalstadia meer dan welkom zijn.
Het is op het eerste gezicht verbazend dat Willems in zijn enquête, die toch vooral op het ontwikkelen van een klank- en vormleer gericht was, een aantal korte zinnetjes en syntagmata heeft opgenomen die er duidelijk op gericht waren om informatie te verzamelen over syntactische feiten. Bij nader toezien blijkt er echter vrijwel altijd een ‘morfologisch’ tintje aan de opgevraagde items te zitten. Het gaat vooral om drie feitencomplexen:
Andere verschijnselen, zoals variatie in de zinsbouw, blijven in de enquête on(der)belicht, maar dat is, gegeven het algemene klimaat van de neogrammatische taalkunde, waarmee Pieter Willems waarschijnlijk tijdens zijn studietijd in Berlijn in contact was gekomen, helemaal niet verwonderlijk. Uit wat in de laatste decennia op het gebied van de dialectsyntaxis gepubliceerd is, blijkt alvast dat een vergelijking van het materiaal-Willems met dat van latere enquêtes een boeiend beeld van taalevolutie en taaldifferentiatie kan bieden. De verregaande verwaarlozing van het onderzoek van de taalsystematiek in het hedendaagse wetenschappelijke bedrijf ten voordele van (sociolinguïstisch) gebruiksonderzoek mag als voornaamste oorzaak gelden van het feit dat het materiaal-Willems in de laatste decennia geen output van enige importantie gehad heeft.
Zoals voor de meeste Germaanse talen geldt, is de paradigmatische vormenrijkdom in de afstammelingen van het Nederfrankisch bescheiden te noemen, maar Pieter Willems heeft er zorg voor gedragen dat wat er van de Indo-Europese vormenrijkdom rest volledig in zijn enquête ingebouwd is. Zo is er bij het werkwoord aandacht voor de twee tijden, de zes ‘personen’ (1ste-2de en 3de ev. en mv.), voor de imperatiefvorm(en), de (resten van de) conjunctief en de infiniete vormen. Bij het zelfstandig naamwoord wordt naar enkelvouds- en meervoudsvorm en het diminutief gevraagd, en bij de bijvoeglijke woorden komen de verschillende congruentievormen binnen de nominale constituent aan bod (bv. ‘een kleine man – een kleine vrouw – een klein kind – het kleine kind – kleine mensen’, waarbij in diverse dialecten behalve voor mannelijk enkelvoud ook e-loze vormen voorkomen).
Door de systematische fonologische opbouw van het bevraagde woordenrepertorium komen ook niet-paradigmatische aspecten zoals umlautverschijnselen, verkorting, verlenging enz. voorbeeldig in beeld (alouthans potentieel). Het is niet verwonderlijk dat vooral de meervoudsvorming van zelfstandige naamwoorden de aandacht van dialectologen getrokken heeft: in de voornamelijk historisch gerichte morfologiestudie is een verschijnsel dat in oorsprong op een heel divers, maar goed gestructureerd veld teruggaat (het Oudgermaanse systeem met duidelijk onderscheiden stammen), gefundenes Fressen. Waarschijnlijk heeft Goossens (1996) op dit gebied wel het ruimste gebruik gemaakt van de historische data, waaronder dus ook het materiaal-Willems. Eigenaardig is dat het materiaal voor de werkwoordsvervoeging minder aandacht gekregen heeft, al mag zeker Taeldemans gebruik voor zijn publicaties over het zwakke preteritum hier als exemplarisch vermeld worden (Taeldeman, 2011).
Boven op die systematische inventaris van ‘levende’ vormen is er in de vragenlijst ook aandacht voor (half)versteende vormen die niet alleen van archaïsch taalgoed getuigen, maar ook soms verrassende vernieuwingen aan het licht brengen. Vooral het gebruik van oude datieven en genitieven voor de vorming van bijwoorden komt in de enquête herhaaldelijk aan bod, cf. de summiere bespreking in punt 4.3.2
Het is overduidelijk dat de klankleer hét dragende structurele gegeven is geweest bij het opstellen van de systematische vragenlijst. Dat is niet verwonderlijk als we weten dat de doelstelling een klank- en vormleer van een historisch dialectgebied was. Er zijn zeker in de beginperiode van het gebruik van het materiaal (de ‘Nijmeegse periode’ dus, cf. punt 4.2) wel pogingen gedaan om gegevens uit het materiaal-Willems te gebruiken, maar de output van dat werk is bescheiden gebleven als we het vergelijken met het werk in verband met morfologische vraagstukken.
Na de Nijmeegse pioniersgeneratie (vooral Van Ginneken en Peters, cf. boven) is het in dit belangstellingsdomein erg stil gebleven. Het waarom daarvan wordt duidelijk bij het lezen van Taeldeman (1989). Het grootste deel van dat artikel betreft de vraag of uit de gegevens voor het dialect van Vlierzele, op de grens tussen Oost-Vlaams en Brabants, het fonologische systeem van het dialect in de jaren 1880 valt af te leiden. De uitvoerige en uiterst deskundige bespreking laat zich zo samenvatten dat echt inzicht in het fonologische systeem van het dialect (foneeminventaris, fonetische realisatie van de eenheden in diverse omgevingen en regelsystemen voor de relatie tussen die twee) enkel mogelijk is voor wie dat systeem al volledig doorziet. Anders geformuleerd: inzichten op grond van dit materiaal zijn alleen hard te maken door iemand die het systeem uit eigen kennis of uit andere bronnen doorziet. Of dat zinvol is, zal moeten volgen uit de doelstellingen van de onderzoeker. Alleen wie er expliciet op uit is om na te gaan of bepaalde recente evoluties van voor de jaren tachtig van de negentiende eeuw dateren, kan er belang bij hebben om het tijdvretende werk dat Taeldeman beschrijft te gaan ondernemen.
Dat belet niet dat er wel degelijk aspecten zijn die (ook in taalgeografisch opzicht) zinvol ondernomen kunnen worden. Te denken valt aan verschijnselen zoals de /sp/-/ps/-wisseling (wesp – weps), het wegvallen van de eindsjwa in bepaalde fonologische omgevingen en functies (cf. De Vaan, 2008), de insertie van sjwa in bepaalde omgevingen, het wegvallen of juist de insertie van /t/ in consonantverbindingen. Dat zijn dingen die veel gemakkelijker voor leken weer te geven zijn, en die dus in goed ingevulde cahiertjes sporen nagelaten moeten hebben. Dankzij de enorme woordenlijst die opgevraagd is, kan het materiaal-Willems hier zonder twijfel het beeld dat intussen in de wetenschappelijke literatuur geschetst is, sterk verfijnen.
Samenvattend: het oorspronkelijke hoofddoel van de enquête-Willems, een klankleer van de Nederfrankische dialecten te ontwerpen, zat er, achteraf bekeken, door de keuze van de informanten nooit in. Het is denkbaar dat zo’n onderneming voor een heel beperkt aantal plaatsen doenbaar is; tenslotte waren er ook informanten zoals Georg Wenker voor Düsseldorf. De namen van een toch wel redelijk imposant groepje deskundige invullers zijn te vinden bij Goossens (1989, p. 11-12). Wat mij ertoe brengt te stellen dat een vergelijking van de echt ‘goed’ (betrouwbaar) ingevulde enquêtes wellicht toch indicaties zou kunnen geven over de geografische distributie van systematische structurele aspecten.
De enquête die tot het materiaal-Willems geleid heeft, was in eerste instantie op klank- en vormverschijnselen gericht. Wat die oorspronkelijke hoofddoelstellingen betreft, kan men niet om de vaststelling heen dat het morfologische aspect daarbij tot betere resultaten geleid heeft dan het fonologische, en in het algemeen ook voor toekomstig onderzoek betere uitzichten op succes biedt.
De vragen gericht op syntactische aspecten hebben voor een groot deel al tot succesvol onderzoek geleid. Dat is deels te verklaren doordat bij de meeste ervan morfologische verschijnselen een rol spelen. Op die manier krijgen we een duidelijk cluster: morfologische verschijnselen zijn met een methodologie zoals die gebruikt door Pieter Willems een stuk makkelijker in beeld te krijgen dan de fonetisch gebaseerde, maar daardoor ook abstractere fonologische verhoudingen.
Het lexicale gedeelte van de enquête is weliswaar in de beschrijvingspraktijk benut, maar tot vaste resultaten heeft dat nauwelijks geleid: de gegevens zijn over het algemeen alleen conclusief als ze door ander, steviger semantisch onderbouwd materiaal gestut worden.
Zoals al gezegd: in 1909, ongeveer twintig jaar na afsluiting van de enquête, en een tiental jaren na het al te vroege overlijden van Pieter Willems, werd de hele verzameling documenten die nu bekendstaat als het materiaal-Willems aan de Koninklijke Vlaamsche Academie in Gent toevertrouwd.[14] Zowel de oorspronkelijke cahiers als de afgeleide bestanden (de tafereelen en tabellen) berusten daar nog steeds (of in bepaalde opzichten, cf. boven, opnieuw). Bij die nuchtere vaststelling passen een paar bedenkingen.
De oorspronkelijke verzameling schriftjes was iets ruimer dan wat op dit ogenblik aanwezig is in het archief van de KANTL. Ik geef een overzicht van de ‘afwijkingen’.
Willems heeft de teruggestuurde cahiers blijkbaar alfabetisch geklasseerd op de door hemzelf vooraf opgegeven naam van de plaats waarvoor de opname bedoeld was, en er dan een nummer aan toegekend, van (1) Aachen (Aken) tot (347) Zundert.[15] Het is mogelijk dat er in een vroeger stadium ten minste vier antwoorden méér geweest zijn. In de genummerde, grotendeels alfabetische lijst van de namen van plaatsen wordt geen melding gemaakt van de inzendingen voor Mer(c)ken (Merkem, N129?), Overflakkee (niet nader gespecificeerd om welke plaats(en) het daarbij gegaan zou hebben), Sprundel (K177b) en Pier (L’5,7). Maar in de tafereelen zijn wel gegevens gevonden die uit deze verdwenen databestanden moeten komen (Brok, 1989, p. 61).
Verder zijn in de loop van de twintigste eeuw een zevental schriftjes verdwenen: de nummers 23 (alfabetisch te rangschikken tussen 22 voor Beek en 24 voor Beeringen), 42 en 43 (allebei voor Brussel), 51 (tussen 50 voor Contich en 52 voor Cortemarck), 166 en 167 (allebei voor Leuven), en 182 (voor Mechelen). Van die zeven is sinds het signalement bij Brok (1989, p. 56) één enkel exemplaar teruggevonden, voor Leuven (P088). Dat is tevoorschijn gekomen in het Leuvense stadsarchief, en door Rob Belemans, op dat ogenblik cultureel medewerker bij de stad, herkend als een van de verloren cahiers van het materiaal-Willems. Naar aanleiding van de officiële overhandiging van het stuk aan vertegenwoordigers van de KANTL publiceerde het stadsarchief van Leuven in een aflevering van zijn huisorgaan Salsa! (nr. 13), onder redactie van Rob Belemans, een lijvig dossier over het leven en werk van Pieter Willems, met daarin ook een toelichting van de dialectenquête door Georges De Schutter en Willy Vandeweghe, bedoeld voor het ruimere publiek dat bij die gelegenheid uitgenodigd was.
Het wedervaren na 1934, dus na de terugbezorging van het materiaal door Van Ginneken,[16] is een kwestie van speculatie. Misschien kan het daarbij toch relevant zijn dat gekeken wordt naar de lokaliteiten die in beeld komen:
vijf van de zeven opnames gelden voor Brussel, Leuven en Mechelen, de drie voornaamste cultuursteden van het zuidelijke Brabantse gebied dus. Het is niet ondenkbaar dat die bronnen van informatie tijdelijk in het bezit gekomen zijn van iemand die een belangrijke publicatie over een Zuid-Brabantse stadstaal op het oog had. Er is in deze optiek al meer dan eens gewezen op Leo Goemans. De man was voor de Tweede Wereldoorlog ‘vast secretaris’ (‘secrétaire perpétuel’) van de Koninklijke Vlaamsche Academie, en had in die functie directe toegang tot het archief van de instelling. Goemans bereidde toen zijn Leuvensch Taaleigen voor. Er zijn ernstige aanwijzingen dat hij gebruikgemaakt heeft van een (of van de twee) schriftje(s) die voor Leuven in het materiaal-Willems zaten. Het is mijns inziens niet ondenkbaar dat hij daarbij ook de cahiers uit de twee andere belangrijke cultuursteden van zuidelijk Brabant (Brussel en Mechelen) als bron voor zijn onderzoek heeft willen betrekken. Daarvan zijn geen bewijzen.
Om te achterhalen waar de twee overige ‘verdwenen’ boekjes vandaan kwamen, kunnen we alleen maar uitgaan van hun plaats in de alfabetische ordening van de verzameling: resp. tussen (alfabetisch) Beek en Beeringen, en tussen Contich en Cortemark. Het is mogelijk om in Het Systematisch en alfabetisch register van plaatsnamen na te gaan om welke plaatsen het zou kunnen gaan: dat zijn, buiten de genoemde lokaliteiten zelf, waarvoor natuurlijk een tweede schriftje ingestuurd kan zijn:[17]
Van die zeven plaatsen zijn er twee die geografisch onmiddellijk bij Leuven aansluiten: de twee Korbeeks.[18] In de veronderstelling die in het voorafgaande als hypothese wordt voorgesteld, is het niet ondenkbaar dat Goemans ook een cahier uit (een van) die plaatsen meegenomen zou hebben. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat op dit punt ooit klaarheid geschapen zou kunnen worden: ook het tafereel voor het zuidelijke Brabants, waar Willems zelf eventueel gegevens uit de verdwenen schriftjes in verwerkt zou kunnen hebben, is immers zoekgeraakt.
Hoe dan ook, het is duidelijk dat voor het verdwijnen van de nu ontbrekende schriftjes (of zeker van een paar daarvan) gekeken moet worden in de richting van Leo Goemans. Dat hij eventueel in de late jaren dertig van de vorige eeuw een of meer cahiers mee naar huis genomen heeft (een hypothese die Brok (1989, p. 56) voorzichtig naar voren schuift) is niet vergezocht. Dat hij ze niet teruggebracht heeft is, zonder enige suggestie van kwaad opzet, plausibel: tijdens de oorlogsjaren heeft Goemans zo goed en zo kwaad als het ging het reilen en zeilen van de academie vanuit zijn Leuvense woonplaats bewaakt. Na de oorlog duurde het nog enkele jaren voordat vlot verkeer naar en vanuit de academie mogelijk was, en intussen werd Goemans steeds erger (mentaal) ziek. Van al die jaren zijn geen bestuursdocumenten in het archief van de academie terechtgekomen. De eventueel meegenomen schriftjes zouden dus wel het lot gedeeld kunnen hebben van het oorlogs- en vroegnaoorlogse archief van de academie. Wat met de nalatenschap van Goemans is gebeurd na zijn overlijden in 1955, is niet opgehelderd.[19]
De nabestaanden van Pieter Willems hebben het hele materiaal in het archief van de KANTL gedeponeerd met de heel expliciet geformuleerde wens dat de academie naar mogelijkheden zou zoeken om het door een uitgave in een of andere vorm ter beschikking van de wetenschap te stellen.
Sporadisch werden pogingen ondernomen om ten minste de cahiers ruimer toegankelijk te maken (cf. Goossens, 1989, p. 13). Een bescheiden succes werd echter pas in 1975 bereikt met de beslissing om de hele verzameling cahiers te verfilmen. Die onderneming, uitgevoerd door het P.J. Meertens Instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), leidde tot een verzameling microfiches (een fiche per cahier, ongeacht de (on)volledigheid van de opgaves), die in zes kopieën ter beschikking kwam van respectievelijk de KANTL, het Meertens Instituut van de KNAW in Amsterdam en de afdelingen Nederlands of dialectologie aan de universiteiten van Brussel, Gent, Leuven en Nijmegen.[20]
Die microfiches vormden in 2009-2010 de basis voor de eerste digitalisering van het hele basisenquêtemateriaal (de cahiers zelf dus). Daarvan werden de bestanden uit Nederland, België en Frans-Vlaanderen via de KANTL-webstek ter beschikking gesteld en in een voorlopige vorm raadpleegbaar gemaakt (Jaarboek 2011, p. 49-50). Aan de verdere uitwerking van een bruikbaar apparaat wordt op dit ogenblik gewerkt door Mario Van Assche, sinds kort IT-medewerker van de KANTL. Een eerste doelstelling is alvast om het recent teruggekeerde schriftje voor Leuven te digitaliseren en het aan de bestaande verzameling op de website toe te voegen. Dat laatste zal ook gebeuren voor het enquêtecahier van Stokkem (Belgisch Limburg), dat in de eerste digitaliseringsronde in 2008-2009 ten onrechte als afkomstig uit het Duitse gebied opzijgeschoven is.[21]
We sluiten dit overzicht van wat over het materiaal-Willems bekend is af met een opnieuw helemaal gecontroleerde lijst van de plaatsen waarvoor één of twee schriftje(s) aanwezig is/zijn. De spelling van de plaatsnamen is die van de website van de betrokken gemeenten (voor gehuchten of kerkdorpen die van de gemeente waartoe ze administratief behoren). Om het opzoeken van de lokaliteiten te vergemakkelijken, heb ik ervoor gekozen om de lijst op te splitsen naar het land waartoe ze behoren. Voor Frans-Vlaanderen levert dat uiteraard Franse of verfranste namen en spellingen op: Okselare, Sint-Winoksbergen en Belle zijn dan ook te vinden als Oxelaëre, Bergues en Bailleul (de ‘Vlaamse’ namen worden in de lijst toegevoegd). In België zijn de officiële plaatsnamen volledig aan de thans geldende spellingregels aangepast. Dat geldt in elk geval voor de plaatsen in Vlaanderen en voor de faciliteitengemeenten in Wallonië. Waar zowel een Vlaamse als een Franstalige naam bestaat (bij de pas genoemde faciliteitengemeenten en in het Brussels Gewest) wordt alleen de Nederlandse naam gegeven, in de officiële spelling dus. Er zijn helemaal op het einde van de lijst ook twee Duitstalige gemeenten in Oost-België toegevoegd.[22] Daarvoor heb ik uiteraard de Duitse spelling overgenomen: Baelen en Eupen. De Nederlandse lokaliteiten heb ik niet met die in België willen mengen, omdat daarbij de officiële spelling niet aan de hedendaagse spelling van het Nederlands aangepast is, wat zeker voor niet- Nederlanders het opzoekwerk zal bemoeilijken. Dat de Nederlandse namen apart opgelijst worden, kan daarbij een kleine handreiking zijn. Ten slotte zijn er plaatsen in Duitsland en één gemeente in Luxemburg. Ook daarvoor geldt dat de officiële spelling van sommige namen weleens voor verrassingen kan zorgen bij de alfabetisering: plaatsnamen met begin-/k/ verschijnen meestal met <K>, maar <C> is nog steeds officieel in gebruik bij een aantal namen.
Er was nog een andere reden om althans de ‘Nederlandse’ en de ‘Duitse’ namen gescheiden te houden: binnen elke deellijst worden de plaatsen op basis van hun geografische code geordend, en die is in het Nederlandse taalgebied nu eenmaal anders dan in het Duitse: voor de plaatsen in de Nederlanden is de zogenaamde Kloeke-codering bijna de enige die in de literatuur gebruikt wordt,[23] in Duitsland is de voor de Deutscher Sprachatlas ontworpen codering absoluut de enig toepasbare. Ik acht het nuttig om de codering als basis voor de ordening mee te geven: op die manier komen plaatsen die geografisch bij elkaar aansluiten ook in elkaars buurt terecht – een voordeel voor wie taalgeografisch of taalvergelijkend onderzoek wil doen. Bovendien maakt de codering een eenduidige identificatie van de plaats mogelijk, een voordeel bij de talrijke namen die meer dan één referent hebben, cf. punt 3.2. Het door elkaar gebruiken van de Kloeke- en de Heeroma-code zou zeker voor de minder ingewijde gebruikers voor verwarring kunnen zorgen; door de gescheiden deellijsten wordt dit euvel verholpen. De twee ‘Oost-Belgische’ (Duitstalige) plaatsen in België[24] krijgen zowel de Kloeke- als de Heeroma-code, in die volgorde. Aubel, een dorp ten zuiden van de Limburgse Voerstreek, dat nu volledig verfranst is,[25] krijgt dezelfde uitzonderingsbehandeling.
Op een aantal plaatsen heb ik gemeend, na controle van de schriftjes, dat Brok, wiens lijst (1989, p. 61-72) voor de inventarisering van de aanwezige schriftjes de absolute referentie was, een foute beslissing heeft genomen. Dergelijke gevallen worden gesignaleerd (de door Brok gebruikte naam wordt tussen haakjes in kapitalen toegevoegd, voorafgegaan door een asterisk). Waar Brok een andere naam geeft dan de naam die op de eerste blz. van het schriftje door Willems zelf aangebracht was, laat ik dat feit onvermeld: wie die informatie wil hebben, kan het overzicht van Brok zelf raadplegen (afwijkingen van dit type zijn in die lijst aanleiding tot een vermelding voorafgegaan door ‘olim’). Waar in de lijst-Brok een afwijkende spelling gebruikt wordt, vermeld ik dat in kleine letters tussen haakjes, en weer voorafgegaan door een asterisk. Ten slotte wordt, ook weer tussen haakjes, het nummer gegeven dat door Willems zelf op het cahiertje werd aangebracht.
| NL E192 | Utrecht (293) | NL K077a | Rumpt (242) |
| NL E217 | Montfoort (188) | NL K094 | Dordrecht (069) |
| NL F127 | Uddel (289) | NL K099 | Gorinchem (107) |
| NL F144 | Voorthuizen (305) | NL K117 | Zaltbommel (336) |
| NL F155 | Twello (288) | NL K124 | Strijen (277) |
| NL F156 | Wilp (326) | NL K128 | Dussen (077 |
| NL F176 | Eerbeek (081) | NL K129 | Sint-Geertruidenberg |
| NL F189 | Amerongen (007) | (253) | |
| NL F190 | Renswoude (233) | NL K135 | Heusden (132) |
| NL F193 | Ede (078) | NL K141 | Waalwijk (307) |
| NL F204 | Doesburg (067) | NL K150 | ’s-Hertogenbosch |
| NL I057 | Steenbergen (271) | (249) | |
| NL I077 | Tholen (282) | NL K151 | Dinteloord (066) |
| NL I079 | Bergen op Zoom (027) | NL K154 | Klundert (155) |
| NL I106 | Zuidzande (346) | NL K155 | Zevenbergen 342) |
| NL I110 | Hoofdplaat (138) | NL K160 | Breda (039) |
| NL I116c | Kloosterzande (154) | NL K161 | Oosterhout (211) |
| NL I118 | Ossendrecht (218) | NL K163 | Dongen (068) |
| NL I125 | Aardenburg (003) | NL K174 | Roosendaal 238) |
| NL I128 | IJzendijke (*Yzendyke) | NL K175 | De Hoeven (136) |
| (334) | NL K176 | Etten(089) | |
| NL I140 | Axel (018) | NL K182 | Gilze (*CHAAM EN |
| NL I162 | Sas van Gent (245) | GILZE) (048) | |
| NL I166 | Westdorpe (319) | NL K183 | Tilburg (283) |
| NL K019 | Groot-Ammers (111) | NL K185 | Oisterwijk (208) |
| NL K030 | Vianen (299) | NL K187 | Oirschot (207) |
| NL K036 | Schoonrewoerd | NL K190 | Zundert 347) |
| (*LEERDAM K073) | Nl K195 | Baarle-Nassau (019) | |
| (164) | NL K197 | Hilvarenbeek (134) | |
| NL K039 | Culemborg (055) | ||
| NL K219 | Duizel (*ACHT | NL L212 | Maashees (179) |
| ZALIGHEDEN) (337) | NL L243 | Vlierden (302) | |
| NL L010 | Wageningen (309) | NL L246 | Horst (141) |
| NL L013 | Opheusden (215) | NL L250 | Arcen (011) |
| NL L026 | Huissen (142) | NL L257 | Waalre (306) |
| NL L033 | Zevenaar (341) | NL L261 | Heeze (124) |
| NL L042 | Kerk Avezaath | NL L264 | Someren (*Zomeren) (343) |
| (*AVEZAATH) (017’) | (343) | ||
| NL L054 | Druten (071) | NL L226 | Sevenum (248) |
| NL L065a | Weurt (324) | NL L271 | Venlo (296) |
| NL L071 | Nijmegen (203) | NL L285 | Budel (044) |
| NL L075 | Millingen (186) | NL L289 | Weert (315) |
| NL L089 | Alphen (006) | NL L291 | Helden (128) |
| NL L092 | Kerkdriel (150) | NL L326 | Grathem (109) |
| NL L099 | Oss (217) | NL L329 | Roermond (236) |
| NL L102 | Ravestein (229) | NL L378 | Stevensweert (273) |
| NL L106 | Wijchen (*Wychen) | NL L387 | Posterholt (226) |
| (331) | NL Q019 | Beek (022) | |
| NL L149 | Heesch (123) | NL Q020 | Sittard (264) |
| NL L159 | Cuijk (*Cuyk) 057) | NL Q033 | Oirsbeek (206) |
| NL L164 | Gennep (102) | NL Q095 | Maastricht (180) |
| NL L179 | Schijndel (*Schyndel) | NL Q101 | Valkenburg (295) |
| (246) | NL Q113 | Heerlen (122) | |
| NL L183 | Boekel (034) | NL Q116 | Simpelveld (252) |
| NL L184 | Wanroij (313) | NL Q193 | Gronsveld (*EIJSDEN |
| NL L187 | Boxmeer (037) | Q198) (093) | |
| NL L200 | Sint-Oedenrode (260) | NL Q203 | Gulpen (112) |
| NL L203 | Lieshout (169) | NL Q207 | Epen (085) |
| NL L207 | Gemert (100) | NL Q222 | Vaals (294) |
| NL L210 | Venray (297) |
| BE H002 | Knokke (157) | BE H046 | Nieuwpoort |
| BE H006 | Vlissegem (304) | (*NIEUPORT) (199) | |
| BE H014 | Damme (058) | BE H072 | Ruddervoorde (241) |
| BE H016 | Oostende (210) | BE H084 | Veurne (298) |
| BE H036 | Brugge (041) | BE H108 | Diksmuide (064) |
| BE H112 | Woumen (329) | ||
| BE H115 | Kortemark | BE K225 | Ekeren (*Eeckeren) |
| (*Cortemarck) (052) | (082) | ||
| BE H116 | Torhout (285) | BE K230 | Westmalle (321) |
| BE H123 | Tielt (*Thielt) (280) | BE K237 | Turnhout (287) |
| BE I126 | Middelburg (185) | BE K240 | Arendonk (012) |
| BE I133 | Watervliet (314) | BE K241 | Retie (*Rethy) (234) |
| BE I147 | Kieldrecht (153) | BE K244 | Antwerpen (1) (009) |
| BE I153 | Oedelem (205) | BE K244 | Antwerpen (2) (010) |
| BE I154 | Maldegem (181) | BE K249 | Hoboken (135) |
| BE I158 | Eeklo (*Eecloo) (158) | BE K274 | Herentals (131) |
| BE I161 | Assenede (016) | BE K276 | Mol (187) |
| BE I168c | Koewacht (158) | BE K278 | Lommel (173) |
| BE I171 | Stekene (272) | BE K283 | Kontich (1) (*Contich) |
| BE I173 | Sint-Gillis-Waas (255) | (049) | |
| BE I175 | Sint-Niklaas | BE K283 | Kontich (2) (*Contich) |
| (*Sint-Nicolaas) (259) | (050) | ||
| BE I178 | Beveren (Waas) (030) | BE K287 | Boom (035) |
| BE I185 | Knesselare (156) | BE K291 | Lier (168) |
| BE I192 | Zomergem (344) | BE K293 | Duffel (072) |
| BE I195 | Sleidinge (265) | BE K307 | Geel (*Gheel) (104) |
| BE I204 | Zaffelare (335) | BE K309 | Tongerlo (284’) |
| BE I208 | Lokeren (172) | BE K310 | Westerlo (320) |
| BE I213 | Hamme (1) (115) | BE K315 | Oostham (213) |
| BE I213 | Hamme (2) (116) | BE K324 | Kapelle-op-den-Bos |
| BE I223 | Ruiselede | (*Capelle ten Bossche) | |
| (*Ruysselede) (244) | (046) | ||
| BE I233 | Nevele (197) | BE K339 | Heist-op-den-Berg |
| BE I241 | Gent (1) (103) | (126) | |
| BE I241 | Gent (2) (104) | BE K353 | Tessenderlo (278) |
| BE I255 | Wetteren (323) | BE K358 | Beringen (*Beeringen) |
| BE I258 | Zele (1) (338) | (024) | |
| BE I258 | Zele (2) (339) | BE L286 | Hamont (117) |
| BE I262 | Dendermonde (061) | BE L312 | Neerpelt (195) |
| BE I268 | Puurs (227) | BE L314 | Overpelt (220) |
| BE K189 | Essen (*Esschen) (088) | BE L321 | Neeritter (194) |
| BE K203 | Stabroek (269) | BE L355 | Peer (223) |
| BE K206 | Brecht (038) | BE L360 | Bree (040) |
| BE K207 | Hoogstraten (140) | BE L372 | Maaseik (178) |
| BE L413 | Helchteren (127) | ||
| BE L418 | Niel-bij-As | BE O084 | Kruishoutem |
| (*AS L417) (013) | (*Cruyshoutem) (055) | ||
| BE L423 | Stokkem (*Stockheim) | BE O086 | Asper (014) |
| (274) | BE O098 | Oudenaarde (219) | |
| BE N017 | Roesbrugge-Haringe | BE O117 | Zottegem |
| (239) | (*Sotteghem) (268) | ||
| BE N021 | Lo (*Loo) (174) | BE O127 | Sint-Maria-Oudenhove |
| BE N031 | Poelkapelle (224) | (258) | |
| BE N034 | Hooglede (139) | BE O148 | Denderleeuw (060) |
| BE N038 | Roeselare | BE O152 | Ninove (1) (200) |
| (Rousselaere) (240) | BE O152 | Ninove (2) (202) | |
| BE N045 | Izegem (*Iseghem) | BE O162 | Asse (*Assche) (015) |
| (143) | BE O174a | Sint-Pieters-Jette (261) | |
| BE N067 | Poperinge (225) | BE O182 | Anzegem (Anseghem) |
| BE N072 | Ieper (*IPEREN) (333) | (008) | |
| BE N087 | Moorsele (189) | BE O202 | Nukerke (202) |
| BE N116 | Loker (*Loker bij | BE O208 | Nederbrakel (193) |
| Meesen) (171) | BE O212 | Everbeek | |
| BE N132 | Menen (*Meenen) | (*EVERBEKE) (092) | |
| (183) | BE O228 | Geraardsbergen (1) | |
| BE N141 | Kortrijk (159) | (097) | |
| BE N163 | Nieuwkerke (*WEST- | BE O228 | Geraardsbergen (2) |
| NIEUWKERKE) (322) | (098) | ||
| BE O004 | Oostrozebeke | BE O232 | Galmaarden (095) |
| (*Oostroosebeke) | BE O238 | Sint-Kwintens-Lennik | |
| (214) | (*St.Quintens Lennik) | ||
| BE O007 | Wontergem ((327) | (262) | |
| BE O014 | Deinze (059) | BE O239 | Gooik (*Goyk) (108) |
| BE O018 | Nazareth (192) | BE O252 | Drogenbos |
| BE O021 | Zevergem | (*Droogenbosch) (070) | |
| (*Seevergem) (247) | BE O265 | Ronse (237) | |
| BE O027 | Landskouter | BE O276 | Heikruis (*Hei-Kruis) |
| (*Landscauter) (161) | (125) | ||
| BE O030 | Oosterzele (212) | BE O281 | Edingen (075) |
| BE O049 | Vlierzele (303) | BE O286 | Halle (114) |
| BE O061 | Aalst (002) | BE P010 | Vilvoorde (300) |
| BE O068 | Opwijk (216) | BE P021 | Tildonk (*Thieldonck) |
| BE O069 | Merchtem (124) | (279) | |
| BE P025 | Aarschot (1) (004) | ||
| BE P025 | Aarschot (2) (005) | BE P171 | Landen (160) |
| BE P026 | Werchter (316) | BE P176 | Sint-Truiden (263) |
| BE P041 | Diest (063) | BE P198 | Sint-Genesius-Rode |
| BE P050 | Herk-de-Stad (*Herck | (254) | |
| de Stad) (130) | BE Q002 | Hasselt (118) | |
| BE P066a | Etterbeek (090) | BE Q003 | Genk (*Genck) (101) |
| BE P073 | Erps-Kwerps (*Erps- | BE Q012 | Rekem (*Reekheim) |
| Querbs) (087) | (230) | ||
| BE P088 | Leuven (166) | BE Q071 | Diepenbeek (062) |
| BE P093 | Sint-Joris-Winge (257) | BE Q083 | Bilzen (*Bilsen) (032) |
| BE P094 | Lubbeek (176) | BE Q156 | Borgloon (036) |
| BE P099 | Glabbeek (105) | BE Q162 | Tongeren (284) |
| BE P102 | Boutersem | BE Q178 | Val-Meer (*Fall- |
| (*Bautersem) (021) | Mheer) (094) | ||
| BE P112 | Zoutleeuw (*Zout- | BE Q199 | Moelingen |
| Leeuw (345) | (*Moulingen) (190) | ||
| BE P128 | Duisburg (074) | BE Q249-N'2,5 | Aubel (017) |
| BE P130 | Sint-Joris-Weert (256) | ||
| BE P133 | Overijse (*Overyssche) | ||
| (221) | |||
| BE P145 | Tienen (*Thienen) | ||
| (281) |
Duitse Gemeenschap
| BE Q279-O'2,2 | Baelen (020) | ||
| BE Q284-O'3,2 | Eupen (091) |
| FR b010 | Looberghe (Loberge) | FR N013 | Hondschoote |
| (175) | (Hondschote) (137) | ||
| FR b019 | Lederzeele (Lederzele) | FR N053 | Wormhoudt |
| (163) | (Wormhout) (328) | ||
| FR H057 | Zevecote (Zevekote) | FR N097 | Cassel (Kassel) (047) |
| (340) | FR N100 | Oxelaëre (Okselare) | |
| FR H074 | Dunkerque | (222) | |
| (*Duinkerken) (073) | FR N110 | Flêtre (Vleteren) (301) | |
| FR N004 | Bierne (Bieren) (031) | FR N112 | Berthen (Berten) (029) |
| FR N005 | Bergues (Sint- | FR N155 | Hazebrouck (1) |
| Winoksbergen) (*Berg | (Hazebroek) (119) | ||
| Ste Winox) (028 | FR N155 | Hazebrouck (2) | |
| (Hazebroek) (120) | |||
| FR N162 | Bailleul (1) (Belle) | FR N162 | Bailleul (2) (Belle) |
| (025) | (026) |
| DE I’4,5 | Erkelenz (086) | DE G’9,19 | Solingen (266) |
| DE A’3,6 | Goch (106) | DE H’3,18 | Karken |
| DE A’4,7 | Uedem (1) (290) | (*HEINSBERG) (121) | |
| DE A’4,7 | Uedem (2) (291) | DE H’5,3 | Giesenkirchen (ook |
| DE B‘5,4 | Sonsbeck (267) | voor Odenkirchen, | |
| DE B’4,5 | Kevelaer (152) | H’5,5) (204) | |
| DE B’5,1 | Xanten (332) | DE H’6,15 | Hemmerde (*C’13,3) |
| DE B’6,1 | Wesel (318) | (129) | |
| DE B’6,4 | Büderich (045) | DE H’6,2 | Grevenbroich (110) |
| DE C’4,5 | Geldern (099) | DE H’8,13 | Reusrath (235) |
| DE C’7,2 | Dinslaken (065) | DE I’10,7 | Olpe (209) |
| DE D’4,4 | Straelen (276) | DE I’12,8 | Gummersbach (113) |
| DE D’6,15 | Rayen bei Moers | DE I’2,12 | Waldfeucht (312) |
| (*Reyen bei Mörs) | DE I’3,12 | Waldenrath (311) | |
| (232) | DE K’10,9 | Overath (*SIEGBURG | |
| DE D’7,10 | Duisburg (075) | 2) (251) | |
| DE D’8,10 | Mülheim a/d Ruhr | DE K’2,3 | Gangelt (096) |
| (191) | DE K’4,1 | Würm (bei Lindern) | |
| DE D’9,7 | Steele a/d Ruhr (270) | (330) | |
| DE E’5,1 | Wachtendonk (308) | DE K’4,2 | Linnich (170) |
| DE E’5,8 | Kempen (-Krefeld) | DE K’5,13 | Jülich (145) |
| (149) | DE K’6,7 | Bergheim | |
| DE E’6,4 | Uerdingen (292) | (*QUADRATH) (228) | |
| DE E’6,6 | Krefeld (*Crefeld) | DE K’8,5 | Köln (geldt ook voor |
| (054) | Düren) (Keulen en | ||
| DE E’9,12 | Werden (317) | Düren) (151) | |
| DE F’4,1 | Kaldenkirchen (147) | DE L’11,13 | Ruppichteroth (243) |
| DE F’6,5 | Willich (325) | DE L’3,4 | Herzogenrath (133) |
| DE F’7,7 | Kaiserswerth (146) | DE M’10,3 | Siegburg (250) |
| DE F’9,11 | Elberfeld (083) | DE M’3,10 | Aachen (001) |
| DE G’10,7 | Lüttringhausen (177) | DE M’4,5 | Stolberg (275) |
| DE G’10,8 | Lennep (165) | DE M’5,12 | Düren (zie Köln) (151) |
| DE G’7,14 | Neuss (196) | DE M’7,8 | Lechenich (162) |
| DE G’7,4 | Düsseldorf (076) | DE N’5,14 | Nideggen (198) |
| DE Q’12,17 | Isenburg (144) | DE Y’6,7 | Trier (286) |
| DE Q’6,7 | Blankenheim (033) | DE z 5,11 | Rees (231) |
| DE y 3,2 | Keeken (*Keken) (148) | LU Y’4,08 | Waldbillig (310) |
| DE y 4,4 | Emmerich (084) |
[1] Dit onderdeel is volledig gebaseerd op Goossens (1989), die zich zelf voor het grootste deel baseerde op de levensbeschrijving van De Ceuleneer (1909). Een paar aanvullende details heb ik ontleend aan de recente uitvoerige biografische nota van Papy (2014).
[2] De beurs was nog ten tijde van het Verenigd Koninkrijk in het leven geroepen door kanunnik Wynants (cf. De la Haye, 2014, p. 22-24), en bleef ook na de afscheiding van België met de R.K. Universiteit van Leuven verbonden.
[3] Over die contacten, onder andere ook met de familie De Coussemaeker, is boeiende informatie bijeengebracht in Van Biervliet (2018, p. 70-75).
[4] Die plaatsnamen zijn soms onterecht: ze verwijzen niet noodzakelijk naar de lokalisatie van het beschreven dialect, maar soms naar de woonplaats van de informant. Bij zijn verwerking (cf. punt 4.1) heeft Willems zulke fouten wel hersteld, maar op het cahier zelf bleven de oorspronkelijke registratie en de daarop gebaseerde nummering behouden.
[5] De oorspronkelijke nummering wordt als basis gebruikt door Brok (1989, p. 61-72), ook als Willems zelf uiteindelijk een andere plaats als ‘origine’ van het beschreven dialect genomen heeft. In de hier voorgestelde tabellen is consequent gebruikgemaakt van de ‘correcte’ referentieplaats, voor zover die te achterhalen is natuurlijk (cf. voor die laatste opmerking o.a. ook Ryckeboer, 1989, p. 109-110).
[6] Er was welgeteld één enkele vrouw bij degenen die een ingevuld schriftje terugbezorgd hebben: een apothekersvrouw die de lijst voor Müllheim an der Ruhr voor haar rekening genomen heeft.
[7] Een realistische schatting (op basis van eigen ervaring met het materiaal) levert een nog steeds duizelingwekkend getal van meer dan drie miljoen bruikbare gegevens op (eigen extrapolatie op basis van het gebruik van diverse cahiers). Daarbij dient er ook rekening mee gehouden te worden dat sommige ‘lege’ vakjes betekenen: ‘Het gevraagde woord of de gevraagde vorm komt niet voor’. Zulke negatieve informatie kan nuttig zijn, maar moet heel zorgvuldig (dus restrictief) behandeld worden.
[8] Oorspronkelijk moeten er dertien van die documenten bestaan hebben; daarvan ontbreken er twee (de nummers III en IV).
[9] De geografische grenzen van de tabellen worden gevisualiseerd op de kaart bij Brok (1989, p. 54).
[10] Een beperkt aantal van die ontbrekende schriftjes is mogelijk nooit in het archief van de Academie terechtgekomen. Het betreft die voor Merkem (N029), Overflakkee (niet verder gespecificeerd), Sprundel (K177b) en het Duitse Pier (L’5,7). Verder zijn, waarschijnlijk in de periode dat Leo Goemans aan zijn Leuvense woordenboek werkte, de schriftjes voor Leuven en misschien ook die van Mechelen en Brussel verdwenen. Daarvan is alleen een van de Leuvense schriftjes opnieuw boven water gekomen, cf. verderop punt 5.1 voor een volledige bespreking van verdwenen bestanden.
[11] In dit verband mag nog vermeld worden dat ook voor het grote project Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland van Gesinus G. Kloeke voor het hele zuiden van het taalgebied uitvoerig geput is uit het materiaal-Willems.
[12] Bij elk cahier werden een drietal met de hand geschreven bladzijden met suggesties voor de fonologische en fonetische weergave gevoegd. Een voorbeeld daarvan is te vinden op p. 47-48 van Taeldeman (1989).
[13] Op dit gegeven ga ik uitvoerig in in punt 5.1.
[14] Vrij kort na het overlijden van haar man had Willems’ weduwe al bij de Academie gepolst of die voor de verspreiding van het materiaal zou kunnen instaan, cf. Goossens (1989). Tot concrete pogingen daartoe is het nooit gekomen.
[15] Er zijn, zoals boven al gesignaleerd, nog twee secundaire nummers: 17bis (Avezaath) en 284bis (Tongerloo); het aantal geregistreerde schriftjes bedraagt dus 349.
[16] Brok (1989, p. 55-56) geeft een overtuigend relaas van zijn queeste naar de nalatenschap van
[17] Ik beperk me hier tot namen van plaatsen in België; ik ga er nu eenmaal van uit dat iemand uit België bij het verwijderen van de opnames betrokken is geweest.
[18] Beerlegem (O105), Kooigem (O257), Koolkerke (H037), Koolskamp (H120) en Korsworm
[19] Onderzoek van Jef Mertens, die in 2008-2009 als ambtenaar in dienst was van de Academie, leidde naar de zoon van Goemans. Die verklaarde niet te weten wat er met de nalatenschap van zijn vader gebeurd was. Ook andere onderzochte sporen, onder andere naar archieven in Goemans’ thuisstad Leuven, liepen dood.
[20] Goossens vergeet in zijn opsomming het zesde exemplaar, dat in de KANTL berustte en er trouwens nog steeds te raadplegen is.
[21] De beperkte financiële middelen die voor de voorlopige digitalisering van het materiaal-Willems in 2009-2010 voorhanden waren, leidden tot de beslissing om de ‘Duitse’ gegevens niet in het project op te nemen. Bij mijn weten is van die gegevens nooit gebruikgemaakt in wetenschappelijke publicaties. Het bestuur van de KANTL heeft voorlopig geen beslissing genomen in verband met deze lacune.
[22] Die twee dialecten worden ook in de RND opgenomen, en worden dan ook in het grootste deel
[23] Heeroma en zijn ‘Groningse’ school gebruiken (ook) een codering die op de Duitse gebaseerd is. Maar dat werk betreft vrijwel uitsluitend het Nedersaksische en Friese segment van de Nederlandse dialecten, een gebied dus dat helemaal buiten de enquête-Willems blijft.
[24] Ten tijde van de enquête maakten die plaatsen uiteraard deel uit van het Duitse keizerrijk. ‘Historisch’ zouden ze dus tot de Duitse deelverzameling gerekend moeten worden.
[25] Cf. de subtitel ‘Taal’ in het Wikipedia-artikel (Nederlandse Wikipedia) gewijd aan de gemeente Aubel. In het midden van de twintigste eeuw zijn voor het RND-deel gewijd aan de Limburgse dialecten nog wel informanten gevonden die het oorspronkelijke Limburgse dialect nog voldoende beheersten, cf. de noot over de taalshift op p. 640 van deel I Teksten van de Taalatlas van Belgisch-Limburg en Zuid-Nederlands-Limburg (door E. Blancquaert, J.C. Claessens, W. Goffin en A. Stevens).